

Beschrijving
Ben je ooit wakker geworden met het gevoel dat je leven al voor je beslist was-door familie, door het lot, door dingen waarmee je nooit hebt ingestemd? Abby wel. Opgegroeid in stille verwaarlozing en emotioneel misbruik, ontdekt ze te laat dat de vrouw die haar in leven hield alleen maar wachtte op de nacht waarop ze haar kon overdragen. Gedrogeerd, beroofd van elke keuze en naakt achtergelaten onder ritueel vuur, is het de bedoeling dat Abby sterft als betaling voor een oeroude schuld. Maar in plaats daarvan vlucht ze. Ze overleeft. En overleven is het slechtst mogelijke resultaat. Want ontsnappen aan de dood maakt haar niet vrij-het levert haar juist uit aan een verborgen wereld waar ze niet thuishoort, omringd door mannen die haar zien als een vergissing, een bedreiging, of een probleem dat nooit had mogen bestaan. Zij zijn met z'n vijven, wolven gebonden door bloed, macht en regels die luiden: nooit zij. Knorrig en meedogenloos. Gecontroleerd en afstandelijk. Zonhelder en gevaarlijk. Getekend, rouwend, woedend. Ze waren nooit bedoeld om zich te binden-nooit bedoeld om te delen-maar iets oerouds beslist anders. Haat verzuurt tot obsessie. Vijanden cirkelen te dichtbij. Bestemde connecties trekken zich strak, sleuren Abby mee in hittestadia die ze niet begrijpt, verlangens waar ze niet om vroeg en een soort bescherming die angstaanjagend veel op bezit lijkt. Ze is mens. Een maagd. Een vis op het droge, gevangen door gedwongen nabijheid, geheime identiteiten en een vrouwelijke rivale die glimlacht als een mes. Elke blik belooft: raak haar aan en je sterft. Elke band daagt hen uit te kiezen voor wat verboden is. Want liefde zoals deze is nooit veilig-en nooit enkelvoudig. Dit is een duistere why-choose romance waarin liefde meervoudig is, loyaliteit dodelijk en overleven nooit gegarandeerd.
Hoofdstuk 1
Apr 2, 2026
POV Abby
De grootmoeder die mij heeft opgevoed, heeft net geprobeerd me te vermoorden.
Mijn blote voeten slaan op de bosgrond. Bij elke stap scheuren nieuwe wonden in huid die al is opengereten door stenen en wortels, en de rode zijden mantel die om mijn lichaam verstrikt zit biedt geen enkele bescherming tegen de kou.
Ik kan me niet herinneren dat ik hem heb aangetrokken. Ik kan me niets meer helder herinneren.
De thee smaakte verkeerd.
De gedachte duikt op tussen mijn hijgende adem, scherp en plotseling. Ik herinner me grootmoeder Margots kille grijze ogen die me gadesloegen terwijl ik dronk, en haar dunne glimlach toen ik het kopje leeg had.
Veertien jaar lang woonde ik onder haar dak, sinds mijn ouders' auto zich om een boom vouwde toen ik vier was, en nooit eerder zag ik haar zo glimlachen.
Een tak grijpt mijn arm en ik gil, maar blijf rennen. Achter mij komen de wolven dichterbij. Ik hoor hun ademhaling, ik voel zelfs als het ware de trillingen van hun poten door de aarde onder mijn bloedende voeten.
Maar het is zo—ze jagen niet op me zoals roofdieren op hun prooi jagen. Elke keer als ik naar links wijk, verschijnt er eentje om mijn pad te blokkeren. Iedere keer dat ik probeer om te keren, doemt een andere op uit de duisternis.
Ze drijven me op.
Het besef zakt als een steen in mijn borst. Dit is geen toeval, geen speling van het lot. Deze wezens drijven mij ergens naartoe, en ik ben te bang om lang genoeg stil te staan om te begrijpen waarheen en waarom.
Een andere herinnering breekt door de paniek, met de geur van brandende kruiden en iets metaalachtigs—bloed, begrijp ik nu. Mijn bloed of dat van iemand anders, dat weet ik niet.
Ik werd wakker in dat bos, omringd door vlammen, mijn lichaam uitgestrekt op koude steen en figuren in donkere gewaden die woorden prevelden die over mijn schedel krasten als nagels over glas. En oma Margot was er ook.
Ze was bij hen.
Ik struikel over een wortel en vang mezelf op tegen een boomstam, happend naar adem. Mijn longen branden en mijn benen trillen van de uitputting die ik tot nu toe heb genegeerd dankzij pure adrenaline.
Drie jaar borden sjouwen bij Mercer's Diner hebben spieren op mijn magere lijf gezet die Margot nooit heeft opgemerkt. En op dit moment zijn die jaren de enige reden dat ik nog vooruitkom.
In mijn kleine slaapkamer in onze boerderij staan waarschijnlijk nog steeds dozen half ingepakt met alles wat ik bezit—kleren van de kringloop, bibliotheekboeken en de toelatingsbrief die ik wel honderd keer heb gelezen voor ik geloofde dat hij echt was.
Een nieuw begin, verschillende staten verderop. Eindelijk een normaal leven.
Dat meisje dat die dozen inpakte, hoorde bij een andere wereld.
Een meisje dat dacht dat haar grootste probleem was om te ontsnappen aan een kille, afstandelijke grootmoeder die nooit uitlegde waarom het opvoeden van haar overleden zoon's kind zo’n last leek.
Een meisje die op haar achtste leerde zelf haar maaltijden te maken omdat Margot er geen moeite voor deed.
Een meisje die zichzelf leerde haar haar te vlechten met YouTube-filmpjes, omdat niemand anders het deed. Die geloofde in hard werken en zelfredzaamheid en absoluut niets wat niet verklaard kon worden met gezond verstand.
Woede snijdt door de angst heen, heet en verhelderend.
Dit is haar schuld. Alles!
Veertien jaar van die verhalen—de waarschuwingen over de Appalachenwouden, de wezens die onder de bladeren joegen, de oude krachten die sliepen in de holtes van de bergen.
Ik dacht dat ze excentriek was. Ik dacht dat verdriet haar geest had verzuurd na de dood van mijn vader. Ik glimlachte en knikte en telde de dagen tot ik weg kon, zonder ooit te beseffen dat ze de onzin die ze uitkraamde daadwerkelijk geloofde.
En nu jaagt haar waanzin mij op de vlucht voor een roedel wilde wolven in het absolute niemandsland.
Als ik dit overleef, maak ik haar zelf af.
Het bos verandert om mij heen en ik weet zeker dat de bomen zojuist niet zo dicht op elkaar stonden. Zeker dat het pad waar ik op ren niet zo scherp boog.
De mist wordt dikker tot ik nauwelijks nog anderhalve meter voor me kan zien, maar ik blijf rennen want stilstaan betekent het onder ogen zien van wat er achter me wacht.
Mijn voet blijft haken—aan een steen, een wortel of aan mijn eigen uitputting—en deze keer kan ik mezelf niet opvangen. Ik val hard op de grond, handpalmen schuren over aarde en takken, en mijn kin klapt op de harde grond.
De smaak van bloed vult mijn mond waar mijn tanden mijn lip opensnijden.
Sta op, sta op, sta op.
Sta. Op!
Maar mijn lichaam weigert te gehoorzamen. Ik weet me alleen op mijn rug te rollen, hijgend, en dat is het moment waarop de mist opzij schuift als een gordijn dat door een onzichtbare hand wordt opengetrokken.
De wolf die verschijnt lijkt in niets op degenen die me hierheen hebben gedreven.
Hij is massief, onmogelijk groot, staat hoger dan een natuurlijke wolf ooit zou mogen zijn. Met schouders ter hoogte van mijn borst zelfs nu ik plat op de grond lig, en een vacht zwart als een maanloze nacht.
Hij beweegt naar me toe met beheerste passen, en ik maak me klaar voor de dodelijke aanval. Mijn handen ballen zich tot vuisten aan mijn zij, nagels boren zich in mijn handpalmen.
Want als ik dan toch in dit bos moet sterven, dan in elk geval met open ogen.
Maar de wolf valt niet aan. In plaats daarvan legt hij zijn enorme poten met een vreemde en onverwachte zachtheid op mijn schouders, waardoor ik harder ineenkrimp dan bij geweld zou zijn gebeurd.
Zijn gewicht drukt me in de aarde, niet verpletterend maar omvattend, en ik staar in ogen die zilvergrijs zijn en gevuld met iets wat ik niet had verwacht.
Afschuw.
Het wezen dat op mij neerkijkt, is verschrikt.
Dan stroomt er warmte door mijn borst en het voelt als een sleutel die in een slot draait dat ik nooit wist dat ik had. Het gevoel is zo diep dat ik even vergeet bang te zijn.
De wolf rilt en er ontsnapt een geluid aan hem, iets tussen een jank en een grom, voordat zijn lichaam begint te veranderen.
Ik zie botten kraken en van vorm veranderen onder een vacht die zich terugtrekt als een vloed die van het strand wijkt. De snuit wordt korter, poten strekken uit tot handen, en waar daarnet de immense wolf gehurkt zat… hangt nu het naakte lichaam van een man boven me.
Sterke gespierde armen steunen aan weerszijden van mijn hoofd, handpalmen drukken in de aarde.
Hij lijkt begin dertig, met zilveren haar dat in verwarde golven tot over zijn schouders valt. Zijn trekken zijn scherp, aristocratisch mooi, en zijn bleke grijze ogen dragen diezelfde vernietigde herkenning die ik net ook in de ogen van de wolf zag.
Zijn hele lichaam beeft alsof hij vecht tegen iets dat ik niet kan zien.
“Ren,” smeekt hij, en zijn stem is gehavend, rauw van wanhoop. “Alsjeblieft. Je moet rennen.”
Maar de hitte die tussen ons opbouwt, is niet iets waar ik voor kan vluchten.
Wilde vlammen kloppen door mijn aderen als een tweede hartslag, verslinden elk rationeel idee dat ik probeer te vormen. Dit is geen verlangen—het is dieper, onwerkelijk en onnatuurlijk. Een kracht die zich om de basis van mijn ruggengraat heeft geslingerd en weigert los te laten.
Ren, gebied ik mezelf. Hij geeft je de kans om te rennen!
Toch luistert mijn lichaam niet.
Mijn benen bewegen zonder mijn toestemming, klemmen zich om zijn middel en trekken hem dichterbij. Mijn handen grijpen zijn schouders, nagels boren zich in zijn blote huid, en het litteken op mijn sleutelbeen—dat Margot nooit liet hechten zodat het goed kon genezen toen ik zeven was—brandt als een merkteken.
Een onbekend instinct in mij overspoelt alle verstand, en alles wat overblijft is het verlangen.
________________

Their Human Mate
30 Hoofdstukken
30
Inhoud

Opslaan

My Passion
Copyright © 2026 Passion
XOLY LIMITED, 400 S. 4th Street, Suite 500, Las Vegas, NV 89101